‘Nederland heeft een slecht humeur. […] Langzaam verdwijnt het gemeenschapsgevoel en verschansen we ons achter de achterdeur.’
VPRO: Kwaad bloed

Het is niet dat ik nooit klaag. Het is dat ik er een allergie voor heb. Een allergie voor klagende mensen. Niet voor het klagen an sich, maar de mate daarvan. Klagende mensen, die van zeuren een tijdverdrijf hebben gemaakt. Klagen om het klagen. Om maar iets te zeggen te hebben, de stilte te verdrijven. De tijd te verdrijven. Ik mag niet klagen. Van mijn vader niet, van mijn verloskundige niet. Van mijzelf niet.

Ik mag niet klagen als ik last heb van enorme bandenpijn. Ik vertel het zo af en toe tussen neus en lippen door. ‘Hoe verloopt je zwangerschap?’ ‘Perfect, ik mag niet klagen. Kindje groeit goed, hartje klopt goed. Ik voel me goed. Los van de bandenpijn.’ Alleen als ik thuiskom met de wekelijkse boodschappen, het trappenhuis ben opgelopen en uitgeput op de bank beland, ontglipt mij een zucht en een puf. Mijn bekken blokkeert, bewegen wordt onmogelijk. Met enige creativiteit en met mijn tong tussen mijn tanden weet ik na een tijdje overeind te komen. Alleen dan is manlief getuige van mijn klaag, mijn noodkreet.

Het is niet zo zeer dit soort geklaag dat bij mij een allergische reactie veroorzaakt. Het is dat geklaag dat zich zonder gegronde reden vormt. Klagen om het klagen over elkaar, de politiek en de NS. Zonder de kern daadwerkelijk te raken, worden oppervlakkige meningen geuit. Zonder iemand met open vizier te benaderen, worden vooroordelen gevormd. Overtuigd van het eigen gelijk, verdwijnt langzaam het gemeenschapsgevoel.

Ik houd van het gemeenschapsgevoel. Het ‘gevoel bij elkaar te horen en de bereidheid om de consequenties daarvan te dragen’. Niet klagen, maar dragen. Verdraagzaamheid. Zijn wij nog bereid de consequenties te dragen?

Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven. Spreuken 4:23


Wieteke.

Wie is Wieteke?